In 2025 schreven Jeroen Niemans en Maarten van Poelgeest - in samenwerking met onder andere het College van Rijksbouwmeester & Rijksadviseurs (CRa) - essays over energieplanologie. Door de discussie die de essays losmaakten besloten ze denkers uit te nodigen om het concept energieplanologie verder te doordenken. Ze vroegen Josefien Tiel Groenestege, Peter Pelzer, Yourai Mol en het CRa om te reflecteren op de sturingsvraag achter energieplanologie.  Rijksadviseur Thijs van Spaandonk en Corné Strootman schreven een van de essays. Lees hun bijdrage hieronder.

De vragen ‘Hoe krijgen we energie & ruimte beter bij elkaar? En wat vraagt dat aan sturing?’ kennen geen eenduidig antwoord. De energietransitie heeft veel verschillende ontwerpoplossingen en samenwerkingsvormen nodig die afhangen van de lokale ruimtelijke situatie, het schaalniveau, de betrokken partijen en de gebruikte technieken. In plaats van een antwoord brengen we daarom een ruimtelijk denkkader in: het redeneren vanuit het ritme van ‘dingen’. Het is een denkkader in ontwikkeling. Een gedachtenexperiment waarmee we de worsteling die we in de brief van lezen in een ander licht proberen te zetten en bijdragen aan de ontwikkeling van een integrale werkwijze die hoort bij energieplanologie.

Van inpassen naar aanpassen

De energietransitie heeft grote invloed op de inrichting van Nederland. Aanpassingen en uitbreidingen van het energiesysteem trekken nieuwe activiteiten aan en maken ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. De plannen voor een nieuw hoogspanningsstation in Flevoland leidden tot een golf aan vergunningsaanvragen voor het plaatsen van batterijen in de buurt van het station. De beschikbaarheid van hernieuwbare energie uit wind op zee speelde mee in de beslissing van Microsoft en Google om grote datacenters in Nederland te bouwen. Vanwege deze sturende kracht moet het energiesysteem worden bezien in het perspectief van de grote transities die deze eeuw én begin volgende eeuw plaatsvinden. Een hoogspanningsverbinding heeft in de praktijk een levensduur van minstens 70 jaar. Dus moet er nu al worden nagedacht of een elektriciteitsverbinding en de activiteiten die deze aantrekt ook nog op de goede plek liggen na (bijvoorbeeld) een significante zeespiegelstijging.

Ook in het hier en nu is de ruimtelijke puzzel groot. Veel energieprojecten overstijgen de schaal van de omgeving waarin ze landen. De oppervlakte van een hoogspanningsstation is soms 30 hectare. 50.000 transformatorhuisjes moeten voor 2050 een plek krijgen, grotendeels in de bestaande gebouwde omgeving. De energietransitie kan dus niet zomaar worden ingepast in bestaande ruimtelijke structuren, maar biedt daardoor wel een kans om (stedelijke) landschappen een positieve impuls te geven. Een locatie voor een hoogspanningsstation kan immers prima bijdragen aan een lokale waterbergingsopgave. Om deze meerwaarde mogelijk te maken is het nodig om energieprojecten integraal ontwerpend vorm te geven. Deze integrale werkwijze is überhaupt nodig om de energietransitie te coördineren met de andere grote opgaven en plannen in Nederland. Zo overlapt de ruimteclaim van de nieuwe hoogspanningsverbinding Vierverlaten-Ens met het Deltaplan Noordelijk Nederland, geplande tracés voor buisleidingen en de noodzakelijke transitie van regionale en nationale bodem- en watersystemen. Enkel raakvlakmanagement tussen verschillende grote opgaven en projecten, zoals dat nu vaak gebeurt, zal leiden tot onwenselijke resultaten, zowel in ruimtelijke zin als qua budgettering, planning en communicatie.

Wanneer wij pleiten voor energieplanologie bedoelen we het inzetten van het energiesysteem als ruimtelijk sturingsmechanisme op strategisch niveau en de lange termijn, in coördinatie met andere grote opgaven en met oog voor lokale ruimtelijke kwaliteiten en opgaven. Met andere woorden: het toepassen van een planologische werkwijze op de energietransitie. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de gemeente Leiden. Met een speciale ‘Grand Design’ werkwijze coördineert de gemeente de ruimtelijke ontwikkelingen (waaronder de energietransitie) in de stad in de boven- en ondergrond. Maar vaker lukt het niet. Bij het opstellen van de Regionale Energie Strategieën deed slechts een klein aantal RES-regio’s een landschappelijke analyse. Zo was het moeilijk om in te schatten hoe al die nieuwe opweklocaties zich verhielden tot lokale ruimtelijke kwaliteiten en opgaven.

De dynamiek van het bestaande

De basis voor een integrale planologische werkwijze voor de energietransitie ligt in de samenwerking tussen ruimtelijk denkers en energiestrategen. Ook het organiseren van deze samenwerking gaat lang niet altijd goed. Vanuit onze betrokkenheid bij de ontwikkeling van de plannen van verschillende RES-regio’s weten we dat de netbeheerders regelmatig werden uitgenodigd om mee te denken bij het opstellen van de RES 1.0, maar liever achteraf de gemaakte plannen doorrekenden. Op deze manier waren de ruimtelijk denkers aangewezen op hun eigen beperkte kennis over energie-infrastructuur en werd het ontzettend moeilijk om tot een integraal plan te komen.

De Citydeal Openbare Ruimte en Kopgroep Beheer kenden een soortgelijke worsteling in hun ambitie om een integrale inrichting van de openbare ruimte te coördineren. Met andere woorden, om de vervangings- en beheeropgaven in te zetten om bestaande straten te vergroenen, veiliger te maken en voor te bereiden op klimaatverandering. In een onderzoek voor Kopgroep Beheer stelt ontwerper Jeanne Blok van Telisa studio dat de beheerders en ontwerpers van gemeenten vaak sterk verschillen van werkcultuur en dat dit het integraal werken aan de openbare ruimte bemoeilijkt. Dit begint al bij de taal die de twee groepen gebruiken. Beheertermen als ‘bui08’ of ‘assets’ zegt de meeste ontwerpers niet zoveel. Andersom spreken metaforen als ‘groene lubben en scheggen’ niet tot de verbeelding bij beheerders. Blok ziet ritmes en tijd als een gemene deler om een samenwerking op te kunnen baseren. Beheerders hebben onderhoudscycli en ontwerpers zijn gewend te werken met de natuurlijke ritmes van bijvoorbeeld een watersysteem. Door deze tijdslijnen over elkaar te leggen verkleint de afstand tussen ontwerp- en beheerprocessen.

Bij de Citydeal noemen ze dit stedelijk programmeren. Door de levensduur van de onder- en bovengrondse infrastructuur in de openbare ruimte inzichtelijk te maken, kunnen noodzakelijke werkzaamheden voor beheer, onderhoud en vervanging worden gekoppeld aan ruimtelijke ingrepen voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en sociale ontmoeting. Zo moet een straat elke 60 jaar open om een riool te vervangen, elke 25 jaar voor een datakabel en wordt de straatverlichting elke 30 jaar vernieuwd. Wanneer deze beheersopgaven gezamenlijk worden aangepakt hoeft de straat minder vaak open en worden processen en middelen gebundeld zodat er tijd en geld vrijkomt voor een toekomstbestendige herinrichting van de openbare ruimte. Dit betekent niet dat er een ideaal moment is waarop alle cycli samenvallen. De onderstaande tijdlijn maakt inzichtelijk dat er onderhandeld moet worden over het eerder afschrijven (of juist langer in stand houden) van bepaalde assets. Het beeld biedt een startpunt voor dit gesprek.

Beeld: © Gemeente Amsterdam / Integrale Ontwerpmethode Openbare Ruimte, gemeente Amsterdam.

Het werken vanuit tijd en dynamiek is niet alleen toepasbaar in de openbare ruimte. Het kan ook helpen om ruimtelijk denkers en energiestrategen dichter bij elkaar te brengen. Het werk van Citydeal en de Kopgroep bieden daar aanknopingspunten voor. Een warmteleiding en een transformatorhuisje zijn immers ook ‘assets’ met een afschrijvingsstermijn die moet worden meegenomen bij het stedelijk programmeren. Dat er zo veel te doen is rond transformatorhuisjes is bijvoorbeeld goed te verklaren vanuit de tijdslogica. De huisjes zijn vaak beperkt in hun ruimtevraag maar gaan tot wel 100 jaar mee. Een onhandig geplaatst huisje zit een optimale inrichting van de openbare ruimte dus zeer lange tijd in de weg. Toch wil de energiestrateeg het huisje het liefste in de openbare ruimte. De installatie van een inpandige transformator duurt namelijk ongeveer vijftien dagen, installatie op straat kan in één dag. De taal van tijd en dynamiek zorgt dus niet dat opgaven ineens verdwijnen, maar draagt wel bij aan wederzijds begrip en biedt handvatten om gezamenlijk te werken aan een oplossing.

Daarnaast zorgt het in beeld brengen van de ritmes van bestaande infrastructuur voor tijd en ruimte voor integrale samenwerking. Tijdens het opstellen van een advies aan TenneT hoorden we dat het betrekken van ruimtelijke (beleids-)experts bij netuitbreidingsprojecten vaak veel tijd kost. De experts waren vaak niet voorbereid op de vragen van TenneT en begonnen daardoor pas met het ophalen van informatie op het moment dat er een antwoord nodig was. Met een overzicht van de ritmes van gebiedsprocessen en de afschrijftermijnen van bestaande infrastructuur is lang van tevoren duidelijk wanneer een project begint en input nodig is. Een tijdlijn is in potentie dus een instrument waarmee betrokkenen op tijd kunnen worden geactiveerd om benodigde kennis te verzamelen en integraal mee te denken over energieontwikkelingen.

Het ritme van de energietransitie

Voor het CRa-advies ‘Nu werken aan de talenten van de plek’, over ruimtelijke sturing van de verduurzaming van energie-intensieve industrie, experimenteerde Bright met de tijdsdynamiek van het Noordzeekanaalgebied. Het onderstaande beeld geeft een overzicht van de bestuurlijke plannen, projecties van natuurlijke processen (zoals zeespiegelstijging) en tijdsdynamiek van de ‘assets’ in het gebied. Denk bij dat laatste aan de levensduur van een hoogoveninstallatie, de dertigjarige concessies van de windparken op zee en de honderdjarige afschrijftermijn van de Zeesluis IJmuiden.

Beeld: © Bright / Ritmes en Bandbreedtes, Bright

Deze tijdlijn werd gespiegeld aan verschillende toekomstscenario’s die elk stuurden op het beschikbaar maken of houden van een bepaalde waarde van in gebied op de lange termijn: staalproductie, de opwek van hernieuwbare energie, de toegankelijkheid van de haven van Amsterdam of de beschikbaarheid van (zoet)water. Dit maakte inzichtelijk welke investeringen in het gebied nú noodzakelijk waren om bij een bepaald toekomstbeeld uit te komen, en welke keuzes nog wel even konden wachten. Voor het energiezekerheid-scenario was bijvoorbeeld het investeren in de ontwikkeling van economisch duurzame windparken nú belangrijk, terwijl voor het ontwikkelen van elektrolysers vooral ruimte moet worden gereserveerd zodat deze later gebouwd kunnen worden. Op deze manier blijft de flexibiliteit behouden om de gereserveerde ruimte in te zetten voor andere technieken, wanneer deze beter blijken te passen bij een toekomstige duurzame industrie.

Het werken vanuit afschrijftermijnen laat zien dat het van groot belang is om een breed gedeeld beeld aan waarden en kwaliteiten op te stellen dat richting geeft aan keuzes die nu en in de toekomst gemaakt moeten worden. Uit de tijdlijn valt te lezen dat de recent opgeleverde Zeesluis IJmuiden veel eerder dan de afschrijftermijn permanent gesloten zal moeten worden om de zoetwaterhuishouding landinwaarts in stand te houden. Voor een aantal toekomstscenario’s is zoetwaterbeschikbaarheid belangrijker dan een directe zeeverbinding voor de haven van Amsterdam, voor andere scenario’s lag dit precies andersom. Om te kunnen beoordelen of een investering zoals de Zeesluis een robuuste keuze is, is het dus nodig om een gedeelde visie op de lange termijn te ontwikkelen. Zo komen de culturele vragen achter de energietransitie sterker in beeld: hoe willen we in de toekomst in Nederland leven? Het gaat om de kwaliteiten van de plekken waar we wonen, de economie die we willen hebben en de manier waarop we ons verplaatsen. Aanvullend op dit waardenbeeld is er een set aan kaders en randvoorwaarden nodig waarbinnen naar dit beeld wordt toegewerkt. Bestuurlijke afspraken als de Klimaatwet en Nederland Circulair in 2050 zijn hiervoor de basis maar zullen verder moeten worden gespecificeerd.

Denken over ‘dingen’

In het onderzoek van Bright viel het op dat 2050 vaak het enigszins arbitraire eindpunt was van bestuurlijke visies, beleidsdoelen, verduurzamingsdeadlines en toekomstperspectieven. Voor keuzes na 2050 boden, naast enkele prognoses van o.a. klimaatverandering en demografie, vooral de assets van het Noordzeekanaalgebied houvast. De Canadese politieke filosoof Bonnie Honig zou deze assets ‘publieke dingen’ noemen. Publieke dingen zijn materiële objecten die burgers met elkaar verbinden en dwingen tot interactie. Publieke dingen variëren in grootte en maatschappelijke impact van telefoonhokjes en bibliotheken tot het hoofdwegennet. Publieke dingen hoeven niet per se in publieke handen te zijn. Kijk maar naar het elektriciteitsnetwerk. Dat wordt beheerd door bedrijven die, in ieder geval op papier, privaat zijn. Maar netcongestie dwingt de Nederlandse burger op dit moment tot allerlei uitwisselingen en interacties.

Beeld: Richting geven en wendbaar blijven, CRa

Honig pleit voor het centraler stellen van publieke dingen in democratische besluitvorming. Meer dan wettelijke procedures en bestuurlijke planningen herinneren ‘dingen’ aan gezamenlijke belangen. Ze vormen een basis voor het maken van plannen op een manier die voor meer mensen toegankelijk is. Zo heeft iedere bewoner wel een mening over het nieuwe bouwproject in de buurt of het stadspark dat een opknapbeurt nodig heeft, maar hebben de meesten van ons nog nooit een zienswijze op een gemeentelijke omgevingsvisie ingediend. Het centraal stellen van ‘dingen’ maakt het belang en de impact van de energietransitie concreter en begrijpelijker voor alle betrokkenen: van de lokale bevolking tot beleidsmakers, netbeheerders en de ontwikkelaars van windparken.

Het werk van Citydeal Openbare Ruimte en Kopgroep Beheer en de studies van het CRa laten zien dat het mogelijk is om bij het vormgeven van de energietransitie ‘dingen’ en hun logica in de tijd centraal te zetten. Wij denken dat er dan een dynamiek ontstaat die beter aansluit op de integrale werkwijze die hoort bij energieplanologie. Tijdsdynamiek biedt een gemeenschappelijke taal voor ruimtelijk denkers en energiestrategen om integraal samen te werken. Het inzichtelijk maken van ruimtelijke ritmes brengt de lange termijn in beeld. Dit gedachtenexperiment zal verder moeten worden onderzocht, uitgewerkt en getest in de praktijk. Dit essay is daarom zeker geen eindpunt, maar een open uitnodiging aan onszelf en aan de lezer om te experimenteren met het redeneren vanuit het ritme van ‘dingen’.

In dit essay refereren we direct en indirect aan een aantal publicaties. Hieronder een kort overzicht, met hyperlinks in de titels van de publicaties die online toegankelijk zijn.

Bonnie Honig Publieke Dingen - Democratie ontregeld 2025

Bright Ritmes en bandbreedtes - Ontwerpend onderzoek naar een klimaatneutrale, circulaire en gezonde toekomst voor het industriecluster in het Noordzeekanaalgebied 2025

City Deal Openbare Ruimte Integrale aanpak voor de openbare ruimte: routekaart naar Integralië 2024

College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs Nu werken aan de talenten van de plek 2025

College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs Landschap onder hoogspanning 2025

College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs Richting geven en wendbaar blijven – Reflectie op de Ontwerp-Nota Ruimte 2026

Gemeente Amsterdam Integrale Ontwerpmethode Openbare Ruimte 2020

IABR Nutshuisjes - Naar een nieuwe stedelijke standaard Uitkomsten van het IABR-Atelier ‘Jeux des joules’ 2025

Telisa studio & Kopgroep Beheer Ritmes in Slaaghwijk 2024