Hoe zorgen we ervoor dat ruimtelijk ontwerpers zich gedurende hun hele loopbaan kunnen blijven ontwikkelen en dat ook vanuit volle overtuiging doen? Met die vraag in gedachten kwamen besluitvormers en deskundigen uit het onderwijs, beroepspraktijk en beroeps- en brancheorganisaties op 29 september 2026 samen tijdens de jaarlijkse Onderwijsdag in het Haagse Museum Sophiahof. De middag stond in het teken van een gezamenlijke ambitie: werken aan een sterke, toekomstbestendige beroepsgroep waarin onderwijs, beroepservaring en professionele ontwikkeling elkaar versterken.
Op uitnodiging van het Architectenregister en het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs kwamen vertegenwoordigers van academies van bouwkunst, academies van beeldende kunsten, hogescholen en universiteiten, branche- en beroepsorganisaties en rijksoverheid bij elkaar tijdens de Onderwijsdag 2026, waar praktijk, onderwijs en onderzoek uitwisselden hoe een ‘cultuur van leren’ kan worden georganiseerd.
Verdieping
“Vorig jaar hebben we uitgesproken dát we samen aan de slag willen. Vandaag is het tijd om het met elkaar te hebben over het hóé,” opende Jorrit Rosema, directeur van het Architectenregister de middag. De bijeenkomst bouwde voort op de Onderwijsdag van vorig jaar, waar onderwijs en beroeps- en brancheverenigingen voor het eerst gezamenlijk spraken over de ontwikkeling van het vak en het belang van een doorlopende leerlijn. Dit jaar stond de verdieping centraal: hoe vertalen we dit van commitment naar concrete ideeën en afspraken? Die vraag werd verkend aan de hand van twee thema’s: de voorlopige resultaten van de Commissie Eindtermen en een leven lang leren.
"Vorig jaar hebben we uitgesproken dát we samen aan de slag willen. Vandaag is het tijd om het met elkaar te hebben over het hóé."
De Commissie Eindtermenonderzoek werkt sinds vorig jaar aan een advies over de eindtermen en criteria van de regelingen die voortkomen uit de Wet op de architectentitel. De commissie sprak de afgelopen maanden met alle betrokken partijen: branche- en beroepsverenigingen, opleidingen, opdrachtgevers en andere relevante instellingen.
Historische ontwikkeling
Ook onderzocht de commissie de historische ontwikkeling van het vak en de huidige rol en positie van de ontwerper. Dit vormt samen de basis voor een visie op het vak van ontwerper, wat uiteindelijk moet leiden tot aanpassingen van de eindtermen in de verschillende regelingen voor opleiding, beroepservaring en bij- en nascholing.
“Opvallend is dat in veel gesprekken vergelijkbare onderwerpen op tafel kwamen,” licht Hilde Blank, voorzitter van de commissie, de voorlopige opbrengsten toe. “Er werd bijna verlangend gesproken over de ontwerper van de toekomst. Iemand die kritisch en reflectief kan denken, de vraag achter de vraag weet te herkennen, kritisch kan zijn naar opdrachtgevers en oog heeft voor de maatschappelijke waarde van het ontwerp.”

Beeld: © Boudewijn Bollmann
Technologische vernieuwing
Een tweede belangrijk punt was het omgaan met technologische vernieuwing. Digitalisering en AI: ook deze ontwikkelingen vragen van ontwerpers dat zij zich blijven ontwikkelen en nieuwe mogelijkheden weten te benutten. Ook ging het over de rol die je als ontwerper inneemt. “De ontwerper van de toekomst is niet de ‘starchitect’ die alles zelf bepaalt, maar een deskundige speler aan tafel die vanuit het ontwerp bijdraagt aan een bredere maatschappelijke opgave. En niet alle kennis hoeft in één persoon te zitten: juist in teams kunnen verschillende kwaliteiten samenkomen.”
Ontwerper van de toekomst
De commissie hoorde tijdens de rondgang ook een zorg. Hilde Blank: “Vaak werd de vraag geopperd of het huidige onderwijssysteem wel voldoende basis biedt. We vragen behoorlijk veel van mensen die net van school komen. Beheersen zij de basis van het vak? Kunnen ze ontwerpen, goed schetsen en reflectief denken? Krijgen ze dat allemaal voldoende mee in het onderwijs?”
De gesprekken maakten duidelijk welke vaardigheden de ontwerper van de toekomst nodig heeft. Maar ze riepen ook een andere vraag op: waar en wanneer ontwikkel je die vaardigheden? Met die vraag gingen de aanwezigen aan vier tafels aan de slag. Zij bespraken welke competenties - zoals verbeeldingskracht, contextueel ontwerpen, technologie, beleidskennis en ondernemerschap - in welke van de vier fasen van de doorlopende leerlijn thuishoren. Wat hoort thuis in de opleiding, wat ontwikkel je tijdens de beroepservaringsperiode, voor welke vaardigheden volg je bij- en nascholing en wat leer je vooral in de praktijk? Dit leverde een aantal duidelijke inzichten op: in de opleiding moet vooral het leren ontwerpen centraal staan. De beroepservaringperiode biedt vervolgens ruimte voor verdieping en verbreding. Bij- en na scholing kan aansluiten bij actuele maatschappelijke thema’s. Ondernemerschap en financiële aspecten leer je volgens de deelnemers vooral in de praktijk
De opbrengsten van de tafels vormen input voor de Commissie Eindtermenonderzoek, die later dit jaar met een definitief advies komt.

Beeld: © Boudewijn Bollmann
"Er werd bijna verlangend gesproken over de ontwerper van de toekomst."
Een leven lang leren
Hoe maken we een leven lang leren vanzelfsprekend in de beroepspraktijk? En hoe kunnen we ontwerpers stimuleren? Daarover gingen de aanwezigen in het tweede deel van de middag aan drie tafels met elkaar in gesprek.
Stimuleren van een leven lang leren
De deelnemers aan tafel 1 – over het stimuleren van een leven lang leren – constateerden in een positief gesprek dat ruimtelijk ontwerpers al veel doen aan bij- en nascholing, maar dat dit nog onvoldoende zichtbaar is. De maatschappelijke en professionele meerwaarde van bij- en nascholing blijft ook vaak onderbelicht. Ook willen de aanwezigen beter inzicht hebben in waar de sector behoefte aan heeft. De deelnemers aan deze tafel stelden een werkgroep voor die gaat onderzoeken hoe bij- en nascholing beter zichtbaar en toegankelijk kan worden gemaakt en welke thema’s aansluiten bij de beroepsgroep en welke rol onderwijs, werkgevers en beroeps- en brancheorganisaties daarin kunnen spelen.
Intervisie
Tafel 2 werd geleid door Rijksadviseur Noël van Dooren van het CRa, een groot voorstander van intervisie. “Intervisie gaat over persoonlijke ontwikkeling en kwaliteitsborging. Je bespreekt met vakgenoten op een gestructureerde manier je ervaringen, dilemma’s en ambities en helpt elkaar zo verder.” De deelnemers aan tafel waren ook van mening dat intervisie niet alleen kan bijdragen aan de ontwikkeling van individuele professionals, maar ook aan de kwaliteit van het vak als geheel. Zij deelden ook veel praktische voorbeelden van intervisie. Zo gaven zij aan dat in het onderwijs al vanaf het eerste jaar aandacht wordt besteed aan een leven lang leren en intervisie. De nieuwe generatie krijgt dat dus vaak al vanaf de start mee, het heeft nog wel tijd nodig voordat deze generatie die bagage meeneemt in de werkpraktijk. Het vraagstuk is dan ook hoe de oudere generaties kunnen worden bereikt. Het CRa neemt de gedeelde kennis en ervaring de komende tijd mee bij het nadenken over hoe intervisie beter te verankeren binnen de beroepsgroep en wie daar voor nodig zijn.
Bij- en nascholing
Aan tafel 3 waren de deelnemers het erover eens dat er voldoende kwalitatief, relevant en actueel aanbod van bij- en nascholing moet zijn. De aanwezigen onderschreven ook dat de grote maatschappelijke opgaven van de komende vijf jaar – zoals beschreven in de Nota Ruimte en de Omgevingsvisies van provincies en gemeenten – leidend moeten zijn voor de inhoud van de bij- en nascholing. De vervolgvraag bleek lastiger: hoe maken we dat aanbod inzichtelijk en toegankelijk, en welke stappen kunnen we samen zetten? Daarbij kwamen praktische knelpunten naar voren, zoals beperkte capaciteit van beroepsverenigingen om dit landelijk te organiseren en te coördineren en de wettelijke belemmeringen voor onderwijsaanbieders om nieuw aanbod van bij- en nascholing voor te financieren. Tot slot was de vraag hoe de behoefte van ontwerpers en samenleving en het aanbod aan bij- en nascholing beter op elkaar kunnen worden afgestemd. De aanwezigen spraken de wens uit om gezamenlijk een roadmap daarvoor op te stellen.
"Intervisie gaat over persoonlijke ontwikkeling en kwaliteitsborging. Je bespreekt met vakgenoten op een gestructureerde manier je ervaringen."
Taal doet ertoe
Bas Vereecken, manager CRa, sloot samen met Jorrit Rosema de middag af. Bas Vereecken gaf de ontwerpers in de zaal een duidelijke boodschap mee: taal doet ertoe.
“We moeten er samen voor waken dat we niet blijven hangen in jargon. Als we een plek aan tafel willen hebben en willen bijdragen aan de grote maatschappelijke vraagstukken, dan moeten we de essentie van een opgave helder kunnen verwoorden in de taal van de politiek, directeuren en gemeenten. Het gaat er niet om dat we onze plek aan tafel claimen, maar dat we laten zien dat we die verdienen: door helder te formuleren wat onze bijdrage is, welke kwaliteit we toevoegen en hoe we kunnen helpen om vraagstukken verder te brengen.”

Beeld: © Boudewijn Bollmann
Inspirerend voorbeeld
Jorrit Rosema sloot de middag af met een inspirerend voorbeeld van de ARB, de Engelse tegenhanger van het Architectenregister. Sinds twee jaar kan de ARB richting geven aan de nascholing van architecten door jaarlijks thema’s aan te wijzen die zij belangrijk vindt voor de professionele ontwikkeling, zoals brandveiligheid en duurzaamheid. Architecten worden vervolgens niet gevraagd om simpelweg aan te tonen welke cursussen zij hebben gevolgd, zij worden ook gestimuleerd om te reflecteren op wat zij in hun praktijk en tijdens hun gevolgde bij- en nascholing hebben geleerd: aan de hand van hun eigen opdrachten, ervaringen en de opdrachten die voor hen liggen. “Een mooi voorbeeld van hoe je praktijk en onderwijs met elkaar verbindt. En dat past goed bij het thema van deze dag, een leven lang leren.”
"Als we willen bijdragen aan de grote maatschappelijke vraagstukken, dan moeten we de essentie van een opgave helder kunnen verwoorden."
Onderwijsdag
Met de Onderwijsdag bieden het College van Rijksbouwmeester & Rijksadviseurs en het Architectenregister ruimte voor het gesprek tussen onderwijs, beroepspraktijk en beroepsorganisaties over de ontwikkeling van het vak en de doorlopende leerlijn van opleiding, beroepservaring en professionele ontwikkeling