Flexwonen: Minder auto, meer wonen

Voor de studie ‘Flexwonen’ hebben ontwerpers woningen toegevoegd of gebouwen een andere bestemming gegeven. Ze deden dit in een vooraf uitgezochte vierkante kilometer. In een serie interviews vertellen zij en andere betrokkenen over de ideeën op papier en de weg naar de praktijk. Vandaag is het woord aan architect Marjolein van Eig. In Putten ziet ze mogelijkheden voor starterswoningen tussen de bestaande huizen. Als het meezit, fleurt de hele buurt op van die extra woningen. Ze legt uit waarom.

Marjolein van Eig
©door Hans Reitzema
Marjolein van Eig

‘Van de vraag om iets nieuws en flexibels te ontwerpen werd ik wel enthousiast. We weten allemaal dat er extra woningen bij moeten in Nederland. Maar we weten ook dat weilanden volbouwen met rijtjeshuizen, zoals bij Vinexwijken is gedaan, niet de oplossing is.’ Marjolein van Eig (1975) van BureauVanEig ging nieuwsgierig aan de slag met de studie. Al snel werd het haar duidelijk dat het begrip ‘flex’ niet synoniem moet staan voor tijdelijk en goedkoop. ‘Ik wil niet dat de extra woningen tijdelijkheid uitstralen. Zomaar containerwoningen neerzetten is tijdelijkheid zonder veel kwaliteit.’

bestaande situatie van een wijk in Putten

Minder auto, meer wonen

BureauVanEig werkte samen met Biq architecten en landschapsarchitect Mascha Onderwater aan ideeën voor een wijk in Putten, voor een vierkante kilometer die het College van Rijksadviseurs daar had gekozen voor de studie ‘Flexwonen’. ‘Je hebt daar overal van die kleine parkeerhaventjes op de kop van blinde gevels die mogelijkheden bieden’, vertelt ze. De wijk is een voorbeeld van wijken zoals er heel veel zijn. ‘Ruim opgezet in de jaren zestig en zeventig, voor de gebruiker van de auto. Met veel kleine stukjes groen erbij die niet zoveel betekenis hebben.’

‘Woningcorporaties zitten met dergelijke wijken in hun maag. Wij zien in die buurt in Putten verrommeling, er zijn veel schuttingen gebouwd en achterpaden bij de tuinen getrokken. De eengezinswoningen daar zijn te groot voor ouderen, maar te duur voor jongeren. Voor die jongeren hebben wij de nieuwe woningen ontworpen. Met als uitgangspunt minder auto en meer wonen.’

Vijf bij vijf

Het concrete idee van Van Eig is een woning van twee verdiepingen die precies past op twee parkeerplekken naast elkaar. ‘Een huis van vijf bij vijf meter voor starters is wat wij voor ogen hebben. Netto heeft die woning veertig vierkante meter, een mooie maat voor starters. Er zit ook een klein tuintje bij, je zit anders heel dicht op de straat. De verwachting is dat veel starters geen auto hebben of kiezen voor een deelauto. Het zijn echt woningen bedoeld voor jonge mensen die net uit huis gaan.’


Theoretisch gezien passen er wel vierhonderd van deze woningen tussen de bestaande blokken in Putten. Maar Van Eig verwacht dat er in een buurtje van tachtig woningen dertien van haar starterswoningen kunnen komen. ‘Voor de presentatie van de studie hebben we ze wat abstract uitgelicht en gepresenteerd. We zijn nu bezig om ze uit te werken en om ze echt onderdeel te laten zijn van de bestaande blokken. Ook qua materiaalgebruik.’

Kwaliteitsslag

‘Natuurlijk begrijpen we dat het heel gevoelig ligt om in bestaande wijken woningen in te tekenen’, vervolgt ze. ‘Daarover praten we nu ook, je moet de plannen langzaam in de week leggen. De woningcorporatie staat te springen om een kwaliteitsslag maken. Het idee is dat de toevoeging van nieuwe woningen de uitstraling van de hele wijk verbetert. We hopen dat die strategie werkt.’  

Een bestaande buurt veranderen vraagt tegelijkertijd om maatwerk en een hyperlokale blik op leefbaarheid en voorzieningen. Dat blijkt ook in Putten. Het team van ontwerpers hadden ook het idee om in de doodlopende lussen speciale hofjeswoningen voor ouderen te bouwen. De ouderen zouden zo in de verleiding worden gebracht hun grote huis te verlaten, maar ze konden wel in hun vertrouwde omgeving blijven. Het plan verdween van tafel. Van Eig: ‘Ook omdat de supermarkt in de buurt verdwijnt, de locatie is dan toch minder geschikt voor zelfstandig wonende ouderen.’

TEKST: Margit Kranenburg