Rijksbouwmeester Francesco Veenstra heeft op donderdag 7 november 2024 de bundel Het Binnenhof Den Haag: grafelijk machtscentrum in de 13e eeuw overhandigd aan burgemeester Van Zanen van Den Haag op het Nationaal Monumentencongres. Met deze nieuwe publicatie, waarin de resultaten van recent internationaal en multidisciplinair onderzoek zijn samengebracht, schetst het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs (CRa) een completer beeld van het grafelijk paleis. De publicatie biedt tevens een aanleiding om met een nieuwe, frisse blik naar de toekomst van het Binnenhof te kijken.
Beeld: Foto door M.M. Couvée, 1904.
Foto links: Wilhelmina voor het Grafelijke Zalencomplex waar zij net in de Grote Zaal de troonrede heeft voorgedragen. Rechts de cover van de bundel.
Geheimen van een grafelijk paleis
Het Binnenhof, al eeuwenlang het politieke centrum van Nederland, herbergt naast de bekende Ridderzaal nog andere belangrijke zalen waaronder de Rolzaal in het Rolgebouw. Samen met De Lairessevleugel vormen zij het grafelijk paleis. Hoewel de Ridderzaal symbool staat voor onze democratie en jaarlijks op Prinsjesdag in de schijnwerpers staat, zijn de andere zalen en vertrekken even fascinerende onderdelen van het grafelijk paleis. Wat weten we over de ontstaansgeschiedenis van dit bijzondere complex? En welke geheimen liggen er nog verscholen in zijn muren?
Europees perspectief
Begin 2022 vroeg het College, samen met het Rijksvastgoedbedrijf, een diverse groep wetenschappers uit Europa om vanuit hun specifieke achtergrond naar de oorsprong en architectonische waarde van het Binnenhof in de 13e eeuw te kijken. Deze inzichten werden in mei 2023 gepresenteerd tijdens het internationale symposium Het Binnenhof: grafelijk machtscentrum in de 13e eeuw in Den Haag. De inzichten zijn gebundeld in een rijk geïllustreerde publicatie waarin bouwhistorici, architectuurhistorici, cultuurhistorici, archeologen en geologen hun nieuwste bevindingen delen.
Toekomst van het Binnenhof
De publicatie biedt niet alleen een veelomvattend overzicht van de geschiedenis en architectuur van het Binnenhof bij zijn ontstaan in de 13e eeuw, maar stelt ook nieuwe vragen die uitnodigen tot verder onderzoek. “De nieuwe verhalen over het verleden kunnen de Grafelijke Zalen uit hun Doornroosjeslaap wekken,” aldus de samenstellers. Hiermee hoopt het CRa dat deze kennis niet alleen historici en architecten, maar ook het bredere publiek inspireert om met een nieuwe blik naar het Binnenhof te kijken – een nationaal monument en symbool van onze democratische traditie.
Overhandiging van de bundel door de Rijksbouwmeester aan burgemeester Van Zanen
Samenvatting
De bundel/publicatie begint met een voorwoord van Rijksbouwmeester Francesco Veenstra. De Ridderzaal kent iedereen, maar het Rolgebouw achter de Ridderzaal is veel onbekender. Samen vormen zij het oorspronkelijke 13e-eeuwse grafelijke paleis van Holland, het Binnenhof, dat sinds tijd in gebruik is door de hoogste bestuurlijke en politieke macht, eerst van Holland, sinds de 17e eeuw van heel Nederland. Dat is bijzonder. De rijksbouwmeester besluit zijn voorwoord met de vaststelling dat de zoektocht naar de oorsprong van deze Grafelijke Zalen de start kan zijn om met frisse blik de toekomst van dit deel van het Binnenhof te verkennen.
Na de inleiding volgen verschillende artikelen over de vroegste ontstaansgeschiedenis van het Binnenhof in de 13e eeuw. Op 11 en 12 mei 2023 vond in Den Haag het internationale symposium Het Binnenhof: grafelijk machtscentrum in de 13e eeuw plaats. Diverse experts uit binnen- en buitenland – bouwhistorici, architectuurhistorici, cultuurhistorici, archeologen en geologen – geven samen een overzicht van wat we nu weten over het middeleeuwse grafelijke hofcomplex.
De publicatie is verdeeld in drie hoofdthema’s.
Hier beschrijft de Duitse hoogleraar Malte Prietzel dat, als we de politieke structuren van het Heilige Roomse Rijk in de dertiende eeuw willen begrijpen, het belangrijk is om nog verder terug te gaan in de geschiedenis, naar de twaalfde eeuw.
Vervolgens beschrijven de professoren Hurx en De Jonge uit Leuven de belangrijke gebouwen die mogelijk model hebben gestaan voor de Ridderzaal. In dit artikel wordt getracht de Ridderzaal in zijn context te plaatsen door te kijken naar middeleeuwse zalen in de Lage Landen die door gelijken van Floris V (1254‑1296) zijn gebouwd en van vergelijkbare grootte en prestige waren. Naar deze ‘vorstelijke zalen’, die van de dertiende tot in de zestiende eeuw voor de heersende vorsten van de Lage Landen werden opgetrokken, is nog geen vergelijkend onderzoek gedaan. Dit artikel is een eerste poging om ontwikkelingen in de typologie, functie, architectonische vormgeving en betekenis van middeleeuwse zalen in de Lage Landen te onderscheiden.
De Engelse (bouw)historicus Marshall stelt het functioneren van het Rolgebouw centraal. De auteur refereert aan vergelijkbare trends en kenmerken van oudere of bijna‑contemporaine voorname gebouwen in Engeland, Wales en Frankrijk. De Grafelijke Zalen op het Binnenhof zoals we ze nu kennen ogen als een indrukwekkend, voornaam en architectonisch samenhangend gebouw. Echter, we weten dat het complex in de dertiende eeuw een ingrijpende ontwikkeling heeft doorgemaakt die ongeveer zeventig jaar heeft geduurd. Er werd gestart met een eerste grafelijke residentie (circa 1230). Ongeveer twintig jaar later werd daaraan een indrukwekkend vrijstaand gebouw, het huidige Rolgebouw, toegevoegd. Tegen het einde van de dertiende eeuw werden deze fasen in een nog indrukwekkender paleisachtig gebouwencomplex opgenomen dat ook de Grote Zaal, de huidige Ridderzaal, omvatte. Gedetailleerde documentatie over de oorspronkelijke constructie van dertiende‑eeuwse gebouwen in het algemeen is zeldzaam. Het achterhalen van de functie van de verschillende vertrekken is vaak afhankelijk van de interpretatie van archeologisch en bouwhistorisch bewijsmateriaal.
Onderzoek naar de ontwikkeling van machtscentra in de middeleeuwen is in Nederland decennialang buiten beeld gebleven. Maar om het ontstaansproces van vorstendommen in de volle en late middeleeuwen te kunnen begrijpen, is kennis over de vorming van ‘places of power’ onontbeerlijk. Stadsarcheoloog Groothedde uit Zutphen heeft zijn promotieonderzoek gewijd aan paltscomplexen in Nederland, en de palts te Zutphen in het bijzonder. Met de stadsrechtverlening aan Zutphen omstreeks 1195, stopt de uiting van grafelijke macht niet. Was de Gelderse graaf Reinald I (1271‑1326) tot 1288 bezig in Zutphen een nieuwe residentie te bouwen die zich moest meten met de bouwplannen van zijn zwager Floris V (1254‑1296) in Den Haag?
In een kader van de bundel is ook aandacht voor de wetenschappelijke conferentie: Palatium. Mittelalterliche Pfalzen als Orte königlicher Herrschaft (Palatium. Middeleeuwse paleizen als plaatsen van koninklijke heerschappij) die in 2023 te Aken werd gehouden. Het onderwerp waren de vroeg‑ en hoogmiddeleeuwse koninklijke paleizen (koningspaltsen) als plaatsen waar de vorst werd vertegenwoordigd en zijn macht werd uitgeoefend. De opzet van deze conferentie, waarvan de historici Von Büren en Müller verslag doen, maakte het mogelijk om op een interdisciplinaire en vergelijkende manier het actuele onderzoek naar de vorm, geschiedenis en functie van middeleeuwse koninklijke paleizen te bespreken. Voor toekomstig onderzoek naar het Binnenhof kan het interessant zijn om deze werkwijze over te nemen.
De geologen Van der Valk en Rieffe zetten uiteen welke factoren de keuze voor de locatie van hofnederzettingen bepaalden. Vanuit landschappelijk/geologisch oogpunt analyseren de auteurs de vestiging van middeleeuwse grafelijke hofnederzettingen tussen de mondingen van de (Oude) Rijn en de Maas aan het eind van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw. Van de drie onderzochte locaties bleek het Binnenhof over de beste papieren te beschikken. In vergelijking met de andere twee, ’s‑Gravenzande en Loosduinen, bood het Binnenhof de graven alle vereisten voor een goed functionerend middeleeuws hof: gelegen in een dynamisch en schilderachtig kustlandschap, dat rijk was aan groot en klein wild en vis, en in strategisch opzicht veilig. Een geschikte plek om gasten te ontvangen.
In het artikel van archeoloog De Ridder worden de hoven van Holland en hun betekenis voor het grafelijk bestuur beschreven. Sleutelkwesties daarbij zijn de transformatie die de hoven in de loop van de tijd ondergingen en de rol die zij speelden bij het ontstaan van steden. Behandeld wordt de vraag welke domeinen de graven van Holland bezaten en hoe deze zich ontwikkeld hebben tot steden met stadsrechten. Daarbij roept de positie van Den Haag, de plaats die wel de hoofdresidentie van de graven was maar geen stadsrechten had, een aanvullende vraag op. Hoe kan de ontwikkeling van Den Haag worden gezien ten opzichte van andere grafelijke domeinen?
In een volgend artikel reconstrueert Van Veen, wetenschappelijk onderzoeker en stadsarcheoloog in Den Haag, op basis van historische bronnen, bouwhistorische beschrijvingen, archeologisch onderzoek en latere afbeeldingen de ontwikkeling van de poorten van het Binnenhof. De eerste verwijzing naar een poortgebouw dateert uit 1280. Dit betrof de Voorpoort die lag aan de Plaats. De poorten vormen vanuit ruimtelijk oogpunt een onderdeel van het middeleeuwse wegennet.
In een extra bijdrage loopt Lenoir, eveneens archeoloog bij de gemeente Den Haag en betrokken bij de opgraving op het Binnenhof, de hoogtepunten van het archeologisch onderzoek tijdens de renovatie van het Binnenhof langs. Sinds 2019 zijn verschillende grondwerkzaamheden op het Binnenhof uitgevoerd of begeleid door archeologen van de gemeente Den Haag. Deze werkzaamheden bestonden voornamelijk uit het zetten van grondboringen, het traceren en/of rooien van kabels en leidingen, het inspecteren van de funderingen van de huidige gebouwen en het doen van opgravingen.
In het kader van een duo‑promotieonderzoek naar de strategische overwegingen bij de kastelenbouwprogramma’s van de Hollandse graven Willem II (1227‑1256) en diens zoon Floris V (1254‑1296), kwamen De Jong‑Lambregts en Gruben in aanraking met het Rolgebouw en de Ridderzaal op het Haagse Binnenhof. Immers, die waren tot stand gekomen tijdens de regeerperioden van beide graven. Toen zij zich in de kwestie verdiepten, bleken de symbolische en psychologische aspecten bij beide bouwheren een grote rol van betekenis te hebben gespeeld.
In het daaropvolgende artikel presenteren de bouwhistorici Hundertmark en Van der Heiden hun onderzoeksresultaten naar het complex Grafelijke Zalen. Het onderzoek is tussen 2018-2020 uitgevoerd met als resultaat een nadere precisering van de bouwfasen van de drie aan elkaar verbonden gebouwdelen. Het onderzoek geeft inzicht in de oorspronkelijke indeling en gebruik van het Rolgebouw. Het laat zich aanzien dat rooms‑koning Willem II geïnspireerd was door de Duitse paltsen en zijn hof wilde opwaarderen tot een keizerlijke palts.
Cultuurhistorisch onderzoeker Van Kesteren van het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs verkent de gebeurtenissen en ontwikkelingen die hebben geleid tot de totstandkoming en vorming van het dertiende‑eeuwse Binnenhof. De graven van Holland hebben de bouw geïnitieerd en zij hebben het Haagse hof laten uitgroeien tot een middeleeuws machtscentrum passend bij hun politieke aspiraties. Het gaat om de vermoedelijke stichter van het complex, graaf Floris IV (1210‑1234), om de bouwheer van het Rolgebouw, graaf en rooms‑koning Willem II (1227‑1256), en om die van de Grote Zaal, graaf Floris V (1254‑1296). Allereerst komen de rol die zij hebben vervuld en het bewijs van hun aanwezigheid op het Binnenhof aan de orde. Kennis hierover is afkomstig uit bouwhistorisch en archeologisch onderzoek, in sommige gevallen ondersteund door natuurwetenschappelijk onderzoek. Ook zijn er enkele primaire schriftelijke bronnen. Vervolgens wordt uiteengezet in welke invloedssfeer het Grafelijke Zalencomplex is ontstaan en welke mogelijke beweegredenen hieraan ten grondslag hebben gelegen.
In het laatste kader komt bijzonder hoogleraar Abrahamse van de Vrije Universiteit Amsterdam aan het woord over de interesse in en waardering voor het grafelijke complex. Die waardering was door de tijd zeker niet vanzelfsprekend. Tijdens de Republiek, toen andere middeleeuwse bestuursgebouwen op basis van historische kennis een nieuwe betekenis kregen, verloor het grafelijk complex zijn oorspronkelijke functie en bleef het verweesd achter, als een oud maar weinig zeggend curiosum. Het stadhuis van Amsterdam was in die tijd het werkelijke symbool van de macht in het land. Er werden plannen gemaakt om grote delen of zelfs het gehele Binnenhof te slopen. In de loop van de negentiende eeuw kwam de interesse in middeleeuwse bouwkunst op, maar ook dat leidde niet zonder meer tot de instandhouding van het grafelijk paleis. Pogingen om meer eenheid te brengen in de bebouwing van het Binnenhof strandden aanvankelijk op de machtsverhoudingen en later op geldgebrek en de erfgoedzorg. Uiteindelijk doorstond het complex alle stormen en kreeg het weer een ceremoniële functie.
De bundel eindigt met conclusies en een nawoord. In de conclusies wordt gesteld dat de onderzoeken in de bundel een uitgebreid beeld geven van de ontstaansgeschiedenis van het Binnenhof. Tegelijkertijd zijn er ook vragen die niet aan bod komen in dit project, maar die wel de moeite waard zijn voor verdere bestudering. Een belangrijke kwestie waar meer aandacht aan zou moeten worden besteed is de relatie van de graven van Holland met de kerk en Rome. Waarom koos de paus tijdens de strijd om het koning- en keizerschap in d 13e eeuw voor een Hollandse graaf, Willem II? Hoe zag de christelijke politieke agenda van de graven van Holland eruit? En welke relatie hadden zij met de Utrechtse bisschop door de eeuwen heen? Een andere kwestie is de Hofkapel van Floris V die aan het einde van de dertiende eeuw werd gebouwd op het Binnenhof aan de zijde van de Hofvijver.. Hoe zag deze kapel eruit en met welk doel werd deze gesticht? Zijn er vergelijkbare kapellen in het Heilige Roomse Rijk of daarbuiten? Was er daarvoor al een kapel in het Grafelijke Zalencomplex en waar bevonden zich de privékapellen? Daarnaast blijven er belangrijke vragen liggen over de directe omgeving van het Binnenhof. Hoe functioneerde het hof, welke bijgebouwen waren er (of waren er nodig) om het operationeel te houden? Hoe functioneerde het hof als de graaf en zijn vaak zeer uitgebreide hofhouding aanwezig was en hoe als hij afwezig was? Hoe werd het hof gebruikt tijdens feesten als er veel gasten waren? Waar verbleven deze gasten en met hoeveel waren zij? Namen zij bijvoorbeeld paarden mee en waar werden die gestald? Over het dagelijks gebruik van hoven en de logistiek hiervan is nog maar weinig bekend. De hoeveelheid vragen die blijft liggen na afronding van het symposium laat zien dat toekomstig onderzoek nodig is.
Deze bundel werpt nieuwe vragen op, die uitnodigen tot verder onderzoek. In het nawoord van Susan Lammers, directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, onderkent zij het belang van onderzoek en kennisopbouw. De verbinding van de nieuwe gegevens aan nieuwe vragen en een interdisciplinaire aanpak kan onze kennis van de middeleeuwen sterk vergroten en zo bijdragen aan betekenisvol behoud daarvan, zeker op het Binnenhof. Het complex vormt zodoende een stimulans voor een duurzaam onderzoeksveld en een aanzet voor een sterk samenwerkingsverband tussen aanverwante vakgebieden.