In de zomer van 2025 reisden Elmer (architect/adviseur) en Nicoline (programmaleider) namens het Atelier Rijksbouwmeester het land door langs alle leden van Team Ruimtelijke Kwaliteit Nederland; Het Oversticht; Mooisticht; Libau; Hûs en Hiem; Dorp, Stad en Land; Mooi Noord-Holland en Gelders Genootschap. Doel van de gesprekken was kennismaken én ophalen hoe deze organisaties lokaal en regionaal de ruimtelijke kwaliteit bewaken en bevorderen. Ook bespraken ze of en hoe een bouwmeester hier een rol in kan spelen.

Zij kijken terug op zeven waardevolle, leerzame gesprekken. Dit is een beknopt verslag met de belangrijkste inzichten.

Verbreding werkzaamheden

De zeven organisaties verschillen qua grootte, rechtsvorm (stichting, vereniging, gemeenschappelijke regeling) en werkgebied maar een aantal overeenkomsten vallen op. De komst van de Omgevingswet heeft voor verandering gezorgd. De wet stimuleert gemeenten om aandacht te besteden aan de interne organisatie ten behoeve van totstandkoming van omgevingskwaliteit. Naast de wettelijk vastgelegde monumentencommissie en de verplichting een Omgevingsplan op te stellen, krijgen lokale overheden ruimte om zelf invulling te geven aan het borgen van omgevingskwaliteit.
Dit heeft ervoor gezorgd dat de werkzaamheden van de zeven regionale welstands- en monumentenorganisaties significant zijn uitgebreid van voornamelijk het toetsen van plannen naar integrale en vroegtijdige betrokkenheid, procesbegeleiding en strategische advisering.

Vroegtijdige betrokkenheid

De impact van de Omgevingswet kwam in alle gesprekken aan bod. Met name het inzetten van vooroverleg helpt procedures sneller te doorlopen en zorgt niet zelden voor meer kwaliteit. Al gaf een enkeling ook aan dat niet iedere gemeente hiervoor openstaat, omdat gedacht wordt dat het juist vertragend werkt. Naast het vooroverleg werd ook de omgevingstafel vaak genoemd als belangrijk instrument om vooral kwaliteit en integraliteit, maar zeker ook doorlooptijd te verbeteren.

Lokale kennis

Het belang van lokale kennis wordt overal onderschreven. Bij veel gemeentes ontbreekt het aan voldoende capaciteit om de omgevingskwaliteit te borgen en de zusterorganisaties compenseren het gebrek aan kennis en kunde op bevlogen wijze. Soms door het beschikbaar stellen van een bouwmeester maar ook door het opzetten van steunpunten waar gemeenteambtenaren terecht kunnen om kennis te halen en te delen.

Imagoprobleem?

Hoewel de rol van de zusterorganisaties steeds verder verbreed blijkt uit de gesprekken dat het imago nog achterblijft. Veelal wordt er nog steeds gesproken over een welstandsorganisatie die dakkappelen beoordeeld, en hoewel dit een deel van de werkzaamheden zijn, is de term welstand achterhaald en sluit dit beeld niet aan bij de werkelijke werkzaamheden. Het is aan ons allen dit achterhaalde beeld de wereld uit te helpen.

Bouwmeesters

Hoewel de roep om meer bouwmeesters aan te stellen breed wordt gesteund, zijn de regionale organisaties het erover eens dat uitbreiding van het netwerk geen doel op zich is. De bouwmeester is geen 'superheld' of 'eenpitter'. Effectiviteit staat of valt met een goede inbedding en mandaat. Ook is men het erover eens dat het al dan niet aanstellen van een bouwmeester maatwerk is en niet voor iedere gemeente het juiste instrument om de ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. Pas waar capaciteit of kennis structureel tekortschiet, of waar complexe opgaven daarom vragen, is gerichte uitbreiding logisch. Kortom: eerst kijken wat passend en nodig is.

We kijken er naar uit elkaar in de toekomst vaker te spreken.